Muizen en chocola

(eerste prijs Nijmeegse Literatuurprijs 2016)

Elke ochtend, voordat hij naar zijn werk gaat, legt Victor een bonbon op het tafeltje in de tuin. Daarna kust hij zijn vrouw Dominique en verlaat het huis.

Meestal is Victor de eerste die binnenkomt. Hij trekt zijn witte jas aan en begint zijn ronde langs de plexiglazen bakken. De dode muizen haalt hij met een tang uit het zaagsel, van de zieke muizen telt hij de bulten en schilferige vlekken.
Op de formulieren die naast de bakken liggen, noteert hij zorgvuldig alle resultaten. In het keukentje loopt de koffie rochelend door het pijpje.

Maar vandaag is anders. Als Victor de deur opendoet, hoort hij gesnurk. Het komt uit het kantoortje van zijn baas. Hij klopt aan. Het snurken stopt abrupt. Even is het stil, dan klinkt er gestommel.
“Goedemorgen,” zegt Hugo, alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat hij, gekleed in  boxershort en T-shirt, met zijn haren rechtop en vouwen in zijn wangen uit zijn kantoor komt.
“Wat doe jij hier?” vraagt Victor. Hij moet zijn hoofd een beetje in zijn nek leggen om Hugo aan te kunnen kijken.
“Ruzie met de vrouw,” zegt Hugo. Hij rekt zich uit met zijn armen boven zijn hoofd en gaapt met veel geluid. Onder zijn shirt komt zijn strakke, gebruinde buik tevoorschijn. “Is er al koffie?”

+++

Dominique zit op de bank. Ze draagt een felrood jurkje en kijkt naar Goede Tijden, Slechte Tijden. Het geluid staat hard. Op de tafel voor de bank staan twee glazen naast een fles wijn.
Victor zet in de keuken de tas met boodschappen op het aanrecht. In de woonkamer kust hij Dominique op haar voorhoofd en gaat naast haar zitten. Ze legt haar benen op zijn schoot. Haar teennagels hebben dezelfde kleur als haar jurkje.

In de tuin ligt de bonbon onaangeroerd.
“Hij ligt er nog,” zegt Victor.
Dominique knikt.
“Wat was het vandaag?” vraagt hij, “zat er een barst in de lucht of dreigden de wolken te vallen?”
Ze haalt haar benen van hem af en strijkt haar jurkje glad.
“Sorry,” zegt hij snel, legt even een hand op haar rug. ”Zo bedoelde ik het niet.”
Hij staat op, duwt de schuifpui open en pakt de bonbon van het tafeltje. Twee stappen heen, twee stappen terug.

Ik heb lelijk werk, denkt Victor, maar een mooie vrouw. Hij kijkt naar Dominique  die op de bank ligt. Haar rug tegen de armleuning, één koffiekleurig been opgetrokken. Ze draait haar hoofd naar hem toe, lacht een kuiltje in haar wangen.
“Mmmmm,” zegt ze, als hij haar de bonbon geeft.
Met het puntje van haar tong likt ze over het nootje op de bovenkant. Krak, zegt de chocoladekorst tussen haar tanden.  Ze veegt met een spitse vinger de crème van haar lippen.
Victor knielt tussen haar benen, een dotje spuug in zijn hand. Het gaat te snel, ze heeft haar bonbon nog niet eens op.
“Sorry,” zegt hij hijgend.
“Het geeft niet.”  Zorgvuldig likt ze haar vingers af.
Ze is een hoer, denkt hij. Mijn hoer. Mijn chocoladehoer.

Op televisie kondigt de weervrouw een hittegolf aan. Dominique drukt op de rode knop van de afstandsbediening.
“Hoe was het op je werk?” vraagt ze.
Meestal zegt Victor:  “O, niets bijzonders.” Zulk werk heeft hij. Maar vandaag zegt hij: “Mijn baas heeft vannacht op het laboratorium geslapen.”
Dominique trekt haar wenkbrauwen op. “Oh?”
“Toen ik binnenkwam klonk er gesnurk. Even later kwam hij in zijn pyjama het kantoor uit.”
“Maar waarom dan?”
Victor haalt zijn schouders op. “Zijn vrouw heeft hem uit huis gezet. Hij denkt dat ze gaan scheiden.”
Dominique gaat recht zitten, haar ogen zijn gaan glanzen.
“Zullen we hem uitnodigen om te komen eten? Dan heeft hij wat afleiding.“
“Dat is toch nergens voor nodig?” vraagt Victor. “Het is niet dat we vrienden zijn of zo.”
Hij neemt een slok wijn. Zijn  tong wordt stroef.

+++

“Eten? Bij jou?” vraagt Hugo. De injectienaald blijft in de lucht hangen, de muis zit stil in zijn hand.
“Eten, ja. Bij mij. Ons,” antwoordt Victor. “Zo gek is dat toch niet? Mensen gaan nou eenmaal bij elkaar eten af en toe. Dat is sociaal.”
De naald vervolgt zijn weg, dringt door de witte vacht. De muis piept schel. Zijn achterpootjes schieten heen en weer. Hugo schuift de deksel van een doorzichtige bak en opent zijn hand. Het beestje vlucht een hoek in, zaagsel vliegt op.
“Dominique vroeg het.” Victor noteert de tijd op een formulier. “Ik denk vanwege je situatie.”

Hugo stopt zijn hand in een andere bak. De muizen stuiven uiteen. Hij beweegt zijn hand heen en weer, alsof hij lottoballen husselt. Met een snelle beweging knijpt hij zijn duim en wijsvinger samen. Luid piepend komt een muis aan zijn staart omhoog.  Hugo sluit zijn vingers om de romp van de muis. Hij brengt de rode kraaloogjes tot vlak bij zijn gezicht.
“Ja, we gaan jou ziek maken,” zegt hij met een gek hoog stemmetje. “Heel ziek.”
Victor kijkt opnieuw op zijn horloge, schrijft op het formulier van object 318: 15.24. Geïnfecteerd.
De muis in de eerste kooi begint aan een opkomende rode plek te krabben.

+++

Dominique staat voor haar schildersezel. Ze draagt alleen een oud overhemd van Victor, waarvan ze de mouwen heeft opgerold. De voorpanden hangen los. Op haar buik zit een rode vlek, over haar rechterborst loopt een witte veeg.
Victor zet de boodschappen in de keuken en komt achter haar staan. Ze ruikt naar verf, vermengd met terpentine. Hij legt zijn kin op haar schouder en een hand op haar buik. Met zijn duim streelt hij over de vlek.
“Je lijkt op een muis,” zegt hij. “Vol vlekken.” Hij drukt zich tegen haar billen. “Ik zal je moeten injecteren met ons nieuwe antiserum.”
“Getver, het idee,” zegt Dominique. Ze strijkt met het penseel over het doek.
Victor kijkt naar de man die ze schildert.
“Wie is het?” vraagt hij.
“Ludo natuurlijk,” zegt Dominique. “De mooiste man van Goede Tijden, Slechte Tijden.”
Ze zegt nooit gewoon: “Ludo”. Ze zegt altijd:  “Ludo. De mooiste man van Goede Tijden, Slechte Tijden.”

Op het tafeltje in de tuin ligt een bruin plasje met een hazelnootje erin.
“Dat wordt niets meer,” zegt Victor, terwijl hij naar buiten wijst.
“Nou, afblijven dan,”  zegt Dominique en slaat zijn hand van haar buik.

+++

Victor loopt langs de tafels naar de bakken bij het raam. Een muis ligt met open bek te stuiptrekken in het zaagsel. Op verschillende plekken is de huid vergeeld. Hij pakt zijn klembord en schrijft op het formulier: 16.48 stuiptrekkingen. Ademhalingsproblemen. Haaruitval. Vermoeden van leverfalen.
In het keukentje  drukt hij op de knop van de koffie automaat. Met het kopje in zijn hand staart hij uit het raam. De stad schittert onder een strakgespannen lucht.

Hugo komt met een platte doos in zijn handen het laboratorium binnen.  Zijn hoofd is rood, onder zijn oksels zijn donkere zweetplekken gegroeid.
“Niet normaal, deze hitte,” zegt hij.
Victor zet zijn koffiekopje in de wasbak en loopt langs de bakken van de muizen. Bij de laatste bak blijft hij staan, schuift de deksel van de bovenkant.
“Het warme weer zal nog de hele week aanhouden,”  zegt hij.
“Nou, lekker dan,” Hugo zet de doos op het aanrecht. “Ik heb maar geen bloemen voor Dominique gekocht, die blijven nooit lang mooi met dit weer. Ik ga me even omkleden en dan ben ik klaar om te gaan. Oké?”

Victor staat met een spuit in zijn ene en een wriemelende muis in zijn andere hand. Hij laat de muis vallen, loopt naar het aanrecht en opent de doos. Vier rijen van zes, glanzend, allemaal met een nootje bovenop. De hitte heeft de korst zacht gemaakt. De naald drukt er makkelijk doorheen.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Home Page